Violen en altviolen

moderne viool – barokviooldansmeester vioolaltviool

Viool

In 1990 is Hans de Louter begonnen met het bouwen van violen: 

Niet dat ik goed viool kon spelen maar het instrument kon mij erg boeien. Ik dacht indertijd: hoe kan iemand indertijd een viool gaan bouwen zonder kennis te hebben gehad van de mathematica, hoe kreeg men de welving van de bladen in het hout, om maar niet te spreken over de Formenzinn (Duits, er is geen Nederlandse vertaling van, maar behelst de kracht van een lijnvoering) zodat het instrument ook op het oog goed moest zijn?
Uiteindelijk bleek dat er veel kennis verloren is gegaan, denk alleen maar aan de Gulden Snede: hoe al die oude instrumenten daar toch maar precies aan hebben voldaan. Zelfs de krul van de viool is een equivalent van de nautilus, gegroeid in de vorm van de Proportio Divina – de Gulden Snede.
Bij een goede viool zit er geen vezel te veel aan daar deze de klank wel degelijk remt.

Door mijn interesse in de jazzgitaar – dit instrument kent vele vergelijkingen met de viool, daar er gewelfde bladen opzitten, de kam heeft een vaste positie tussen de f-gaten, er zit een basbalk in, etc. –  heb ik later de passie gevonden om een viool te gaan bouwen.
Dit heeft mij uiteindelijk helemaal te pakken genomen en door mijn interesse hierin zijn er daarna nog zo’n 20 stuks als viool, en ook als altviool tot stand gekomen.

Bouwen is nog daar aan toe, maar het gaat er om hoe je de viool kunt gaan creëren en daarom ben ik begonnen met het volgen van diverse cursussen op het gebied van vioolbouw. Een aantal dikke boeken heb ik doorgespit, naast Nederlands ook in het Engels en het Duits om de viool bouwtechnisch beter in de vingers te gaan krijgen. Alhoewel de inhoudelijke kennis van het bouwen van een viool nooit stopt en een mensenleven te kort is om het gehele vakgebied te kunnen begrijpen.


Moderne viool

Hans de Louter:

Indertijd werd ik benaderd door Raphaëlle Siemers, een jonge violiste van het ‘La Crosse Symphony Orchestra’, in de staat Minnesota in Amerika, voor een door mij gebouwde viool. Het kwam in tijd aardig overeen met een in het cultureel centrum Orpheus gehouden Masterclass Apeldoorn, zodat we de viool goed inpakten en hiermee naar Orpheus gingen. Wij hebben daar Dhr. Philippe Graffin, een viooldocent, gesproken en hij vertelde dat deze viool zeer goed geschikt was voor Raphaëlle. Op de foto’s is deze viool te zien. 

Lees meer: ‘Apeldoornse viool steekt de oceaan over’ en bekijk – beluister Bruch Violin Concerto No. 1 Op. 26 met Raphaëlle Siemers

Technische gegevens

stemming: G-d-a-e
mensuur: 32,5 cm
lengte: 60,3 cm

Gebruikte houtsoorten

  • bovenblad: Fichten-hout
  • onderblad, krans en hals: tijgerstreep esdoorn
  • toets: ebben
  • stemsleutels, snaarhouder: buxus

Barokviool

Hans de Louter:

De barokviool dateert van ongeveer 1550, er zijn bij mijn weten geen violen teruggevonden uit deze tijd. De viool was oorspronkelijk anders dan wij nu de viool zien en dat kwam doordat de snaren met een hogere spanning beter klinken maar voornamelijk doordat het gebruik anders was; de concertzalen werden groter waardoor de viool een ruimer volume werd toegedicht. Ook de orkesten werden veel groter en de viool moest concurreren met de blazers in het orkest. Er zijn in de loop van de tijd van 1800 tot 1850 redelijk wat aanpassingen gedaan:

  • de stemming werd steeds hoger en is van ongeveer 415 naar 440 hertz opgeschoven. Nu is de trend zelfs 442 tot 443 hertz.
    Dit omhoog gaan van de stemming viel bij de blazers niet echt goed, daar de instrumenten bij het bijstemmen alleen lager konden klinken door het uitschuiven van de stembuizen.
  • de snaarlengte is in veel gevallen verlengt met een halve centimeter naar 325 of 327 mm.
  • de kamhoogte is hoger geworden en meet nu boven de toets op het mensuurpunt 27 of 28 mm.
  • de toets was korter en was evenals het staartstuk voorzien van buxus of ander soort
  • de snaren waren darmsnaren, ook voor de hoge e-snaar. Het geeft een prachtige klank, maar de omwonden snaren zoals wij die nu kennen geven wat meer kracht in de toon.

De barok is de periode van de 17e en het begin van de 18e eeuw en kwam overeen met de sterfdatum van Antonio Stradivarius (1737).
Hij heeft al zijn instrumenten op de barokmanier gebouwd. Naderhand zijn vele violen van hem en de andere meesters omgebouwd naar de moderne trend.

Technische gegevens

stemming: G-d-a-e
mensuur: 32,0 cm
lengte: 59,6 cm

Gebruikte houtsoorten

  • bovenblad: Fichten-hout
  • onderblad, krans en hals en snaarhouder: esdoorn
  • toets, stemsleutels en snaarhouder: ebben

Dansmeester viool

De pochette (zakviool) is een instrument met beperkte afmetingen. Het werd gebruikt door een dansmeester om melodieën ten gehore te brengen ten behoeve van het aanleren van een dans. Door het geringe volumeniveau werd dit instrument nagenoeg niet toegepast bij uitvoeringen.
De dansmeesterviool kende een bloeiperiode van 3 eeuwen, gezien vanaf het begin van de 16e eeuw.

Hans de Louter:

Dit instrument heb ik in 1994 gebouwd naar aanleiding van een studie naar de Gulden Snede en is geïnspireerd op een model van Antonio Stradivarius.

Technische gegevens

Stemming: c, g, d, a
Mensuurlengte: 236 mm
Totale lengte: 435 mm

Gebruikte houtsoorten

  • onderblad, de zijwanden en de hals: gevlamd esdoorn
  • bovenblad: fichte-hout
  • toets en staartstuk: ebbenhout met esdoorn inleg

Altviool

Er zit een groot verschil tussen de viool en de altviool, voor het eerste instrument zijn veel composities geschreven, prachtige melodieën, terwijl dit voor de altviool toch een stuk minder is. Haar taak ligt voornamelijk in de begeleiding van het solo-instrument. In de latere tijden zijn er wel stukken voor de altviool geschreven, gelukkig maar, daar het zo’n mooi instrument is met haar volle en gedragen klank.

De maatvoering ligt bij de viool een stuk preciezer dan bij de altviool en vermoedelijk komt dat doordat in het verleden in de partituren een partij was weggelegd voor de kleine altviool met een corpuslengte van zo’n 38 à 39 cm en een andere voor de altviool met een lengte van 42 tot zelfs 46, 47 cm. Nu is deze laatste lengte niet echt geschikt voor deze tijd, daar de armlengte van de bespeler deze grootte van de altviool niet kan volhouden; ergonomisch niet geheel verantwoord.

Een gemiddelde corpuslengte van de altviool ligt op 40,7 tot 42,0 cm, dit is de lengte van het onderblad, gemeten tussen de onderkant van het blad tot aan het lipje aan de bovenzijde, en de maatvoering van de alt is afhankelijk van de grootte van de altist. Om meer toon en een grotere diepgang van de lage C-snaar te bereiken moet eigenlijk theoretisch de grootte van de klankkast 46,0 cm of zelfs meer zijn.

Het instrument is pas in de loop van de vorige eeuw serieus te noemen, daar het Conservatorium in Rotterdam voor het eerst in 1945 een opleiding voor dit instrument aanbood.

Hans de Louter:

Regelmatig komt bij mij het verzoek een altviool te bouwen.
Als corpusmaat – dit is de lengtemaat van het onderblad, zonder het lipje – hanteer ik een maatvoering van 36,0 tot 42,0 cm. 
De maat van 40,7 cm komt bij mij het meeste voor.

Technische gegevens

stemming: C-G-d-a
mensuur: 37,5 cm
lengte: 68,2 cm
corpuslengte: 42,0 cm

Gebruikte houtsoorten

  • bovenblad: Fichten-hout
  • onderblad, krans en hals: esdoorn
  • toets: ebben: stemsleutels, snaarhouder: buxus